Tabel minimaliseren
Groep 3
Groep 4
Groep 5
Groep 6
Groep 7
Groep 8
01. Getallen en getalrelaties Getalbegrip

Getalbegrip

Doorzien van structuur en samenhang van getallen tm 50. Getallen tm 20 worden voorgesteld met structuurmodel: lijnmodel (kralenketting,getallenlijn), groepsmodel (turven), combinatiemodel (rekenrek).

Lees meer Sluiten
  • Ze tellen en vergelijken (on)gestructureerde hoeveelheden en aantallen.

  • Ze herkennen getalpatronen zoals hoeveelheden bij vingerbeelden, op het rekenrek, of kralenketting en kennen ‘even’ en ‘oneven’ als eigenschap van getallen.

  • Ze kennen de telrij tot en met 50 en tellen flexibel met huppen en sprongen (2, 5 en 10) heen en terug.

  • Ze positioneren getallen in de telrij en verkennen ankergetallen.

  • Ze structureren aantallen en getallen: splitsen, verdubbelen/halveren, verschil bepalen.

  • Getalbegrip

    Getalbegrip

    Leerlingen ordenen getallen en lokaliseren tm 100 o.a. met ‘straatje maken’ en ‘op je nummer zetten’. Ze springen naar getallen in huppen, grote huppen, sprongen en grote sprongen. Ze kiezen voor de meest verkorte oplossing.

    Lees meer Sluiten
    Structurerend en flexibel tellen wordt verbonden met de getallenlijn en geld. Ze verbinden het getal- en het hoeveelheidsaspect. Tellen wordt verkort door sprongen van 10 en grote huppen. Ze ervaren sprongen en huppen aan den lijve. Ze lokaliseren op de getallenlijn. Door oefeningen op de bijna lege getallenlijn (verinnerlijken) wordt kennis van de structuur verder uitgediept. Het is bereidt ook voor op handig tellen. Ze kunnen voor een beter begrip teruggaan naar het concrete stappenpad.
    Getalbegrip

    Getalbegrip

    Het getalgebied wordt uitgebreid. Getallen tm 10 000 worden geordend en gelokaliseerd. Leerlingen worden voortdurend gestimuleerd te kiezen voor de meest verkorte oplossingswijze.

    Lees meer Sluiten
    De reuzensprong (100) wordt geïntroduceerd. Ze splitsen getallen in duizendtallen, honderdtallen, tientallen en eenheden. Het gaat om de positiewaarde van cijfers in het getal. Met informeel afronden wordt gestart. Ze leren wanneer je wel of niet kunt schatten. Ze leren inzien hoe ver je ernaast komt te zitten als je met afgeronde getallen werkt en of dat verschil binnen de context acceptabel in. Op de bijna lege getallenlijn wordt de structuur van de telrij verder uitgediept (verinnerlijken).
    Getalbegrip

    Getalbegrip

    Het getalgebied wordt uitgebreid tm 10 000. Leerlingen tellen met sprongen van 100 en 1000 en geven bij een gegeven getal het dichtstbijzijnde tien-, honderd- of duizendtal aan.

    Lees meer Sluiten
    Ze gaan verder met het lokaliseren van getallen tm 10 000 op een getallenlijn. Ze leren de formele afrondregels voor het afronden op bijvoorbeeld tientallen en honderdtallen. Ze rekenen schattend onder andere bij vermenigvuldigen in contexten door één getal af te ronden en daarmee verder te rekenen. Bij het rekenen met ‘ronde’ bedragen wordt het gevoel voor getallen verder ontwikkeld. De keuze is namelijk mede afhankelijk van de mate waarin je met die getallen makkelijk verder kunt rekenen.
    Getalbegrip

    Getalbegrip

    Het getalgebied wordt uitgebreid tm een miljoen. Leerlingen plaatsen kommagetallen op de getallenlijn. Er wordt betekenis gegeven aan hele grote getallen. Ze zetten breuken om in een kommagetal.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau plaatsen ze binnen meetsituaties, kommagetallen op de getallenlijn. Ze geven betekenis aan hele grote getallen door ze te relateren aan toepassingssituaties. Ze plaatsen getallen globaal en precies op de getallenlijn en vergelijken ze met elkaar.
    Op streefniveau breiden ze de relatie tussen breuken en kommagetallen uit. Ze vergelijken en ordenen breuken en (onbenoemde) kommagetallen. Ze schrijven getallen als 0,75 miljoen als 750 000 en ronden getallen af.
    Getalbegrip

    Getalbegrip

    Kommagetallen komen opnieuw langs. Leerlingen verkennen eigenschappen van getallen en bewerkingen door deelbaarheidsregels te onderzoeken. Ze geven betekenis aan zeer grote getallen die ze relateren aan toepassingssituaties.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau gaat het bij kommagetallen om rekenvaardigheden die relevant zijn voor het dagelijks functioneren en elementair getalbegrip. Ze plaatsen benoemde kommagetallen op de getallenijn (globaal en precies) en vergelijken getallen. Op streefniveau gaat het ook om onbenoemde getallen en worden (komma)getallen afgerond. Ze rekenen met Romeinse cijfers.
    Eind groep 8 maken ze kennis met benamingen als kilobyte en met de notatie van machten en de wetenschappelijke notatie van getallen.
    02. Bewerkingen-Hoofdrekenen l Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Toewerken naar het paraat hebben van optellingen, aftrekkingen en splitsingen tm 10. Sommen met tien-passering worden vlot berekend via bijv. dubbel, bijna dubbel, en rekenfeiten tm 10 Er wordt gericht én productief geoefend.

    Lees meer Sluiten

    1. Tellend rekenen: eventueel ondersteund door materiaal.

    2. Structurerend rekenen: Rekenen met structuurmateriaal (vijfstructuur). Aandacht voor strategie met de sprong via tien en de tiensprong op rekenrek (manipulerend, kijkend, denkend opereren).

    3. Formeel rekenen: Eind groep 3 rekenen op flexibele wijze met getallen (zonder rekenrek). Ze beschikken over rekenfeiten en strategieën (dubbel en bijna dubbel, verliefde harten etc). En rekenen zo andere sommen handig of op de getallenlijn uit.

    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Concrete situaties worden verbonden aan optel- of aftreksommen. Leerlingen maken alle typen optellingen en aftrekkingen tm 100 en ze noteren hun antwoord in pijlentaal (verinnerlijken) of met de getallenlijn.

    Lees meer Sluiten
    Ze maken op de getallenlijn sprongen van 10 en (grote) huppen van 2 tm 9. Ze werken met verschillende typen sommen als verliefde hartsommen, tweelingsommen (dubbelsom), splitsbloemen en tienvouden. Ze maken gebruik van hun kennis van getallen (splitsingen van 10) en werken met de rijgmethode, de lege getallenlijn en compenseren. Ze leren kiezen voor aanpakken waarbij ze optimaal gebruik maken van de eigenschappen van getallen. Ze passen rekenhandelingen toe (generaliseren).
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Er wordt gerekend in het getallengebied tm 1000. De pijlentaal wordt verinnerlijkt en sommen tm 20 zijn gememoriseerd. Leerlingen gebruiken handige rekenstrategieën in een contextsituatie (generaliseren).

    Lees meer Sluiten
    Ze worden gestimuleerd om handige strategieën toe te passen, maar kunnen ook rijgend rekenen of met pijlentaal of een getallenlijn. Het gaat hierbij niet om kolomsgewijs rekenen.
    Als brug tussen hoofdrekenen (rijgstrategie) en kolomsgewijs rekenen, wordt rekenen tussen streepjes geïntroduceerd als notatiewijze bij splitsend rekenen. Dit is bedoeld om te waarborgen dat er geen onjuiste notaties gebruiken worden bij splitsend rekenen. Er wordt met deze notatievorm zo kort mogelijk gewerkt.
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Er wordt gerekend tm 1000. Leerlingen gebruiken de rekenmachine als hulpmiddel ter controle of om lastige berekeningen uit te voeren.

    Lees meer Sluiten
    Hoofdrekenen is bedoeld als rekenen met het hoofd. Leerlingen noteren tussenantwoorden. Essentieel bij de verschillende aanpakken is dat de getallen in de bewerkingen ‘in hun waarde worden gelaten’. Strategieën die hierbij worden gebruikt zijn: de eigenschappen van getallen, rijgen, pijlentaal en de getallenlijn.
    Op de rekenmachine leren ze welke bewerkingen ze moeten toepassen bij ‘samen’, ‘keer’, ‘gedeeld door’ en ‘verschil’. Ze gebruiken een notatieschema en kijken kritisch naar antwoorden.
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Hoofdrekenen is bedoeld als rekenen met het hoofd. Leerlingen noteren tussenantwoorden. Het gaat hierbij om alle bewerkingen. Het gebruik van kladpapier is in groep 7 standaard.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau rekenen ze handig met eenvoudige gehele- en kommagetallen. Ze schatten in geld- en meetcontexten. Ze onderzoeken de eigenschappen van bewerkingen met de rekenmachine, voeren twee deelhandelingen uit en voegen deze samen.
    Op streefniveau rekenen ze met grotere getallen en lastiger kommagetallen. Ze kiezen zelf een oplossing. Bij schattend rekenen gaat het om samengestelde bewerkingen. Ze rekenen met de rekenmachine met deelberekeningen verder om het eindantwoord te vinden.
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Hoofdrekenen is rekenen met het hoofd. Tussenantwoorden worden genoteerd. Op streefniveau zijn getallen, bewerkingen en contexten lastiger. De hoofdrekenlijnen zijn geïntegreerd: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen.

    Lees meer Sluiten
    Ze schatten op beide niveaus met hele- en kommagetallen met alle bewerkingen. Op streefniveau gaat het ook om samengestelde bewerkingen. De rekenmachine wordt gebruikt bij het schatten.
    Op fundamenteel niveau rekenen ze handig met eenvoudige hele- en kommagetallen. Op streefniveau ook met grotere getallen en lastiger kommagetallen. Ze kiezen vaker zelf een manier om sommen uit te rekenen.
    Eind groep 8 maken ze kennis met de bewerkingsvolgorde en haakjes.
    03. Bewerking-Hoofdrekenen ll Basiskennis vermenigvuldigen en delen

    Basiskennis vermenigvuldigen en delen

    Leerlingen leren de tafels van 2,4,5 en 10 middels herhaald optellen. Ze oriënteren zich op delen binnen contexten. Ze zien dat delen en vermenigvuldigen inverse bewerkingen zijn.

    Lees meer Sluiten
    Bij de tafel van 2 komen ook begrippen ‘even’ en ‘oneven’ aan de orde. De tafels van 5,10 en 4 oefenen ze middels het groepjesmodel. Ze construeren tafels en leren verschillende strategieën zoals één keer meer en minder, halveren, verdubbelen en verwisselen (gevisualiseerd in een rekenschema: de tafelspin).
    Ze oriënteren zich op het delen door oefeningen met de verhoudingsdeling. Het begrip ‘delen’ wordt in concrete aangeboden. Door herhaald aftrekken wordt het aantal groepjes bepaald.
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    In logische samenhang construeren van de tafels van 3,6,7,8 en 9. leerlingen maken gebruik van handige strategieën zoals ‘één keer meer’. De begrippen tafelsom en keersom worden bewust beide gebruikt.

    Lees meer Sluiten
    Ze oefenen alle tafels ook op formeel niveau. Ze vermenigvuldigen met tientallen en gebruiken de verdeelregel (verinnerlijken). bij vermenigvuldigingen (3 x 32). Ze kunnen hierbij als ondersteuning nog denken aan het concrete model van het ‘tafelplein’
    Ze delen met en zonder rest. De rol van de context bij het bepalen van het antwoord komt in concrete situaties aan de orde. Later delen ze met en zonder rest in kale sommen. De inverse relatie tussen vermenigvuldigen en delen komt aan de orde gesteld.
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    (Deel)tafels worden onderhouden. Ze gebruiken verschillende strategieën bij grotere getallen en verschillende situaties. Ze gebruiken de rekenmachine als hulpmiddel ter controle of om lastige berekeningen te berekenen.

    Lees meer Sluiten
    Met de verdeelregel berekenen ze sommen als 5 x 138. Behoefte aan ondersteuning van het ‘tafelpleinmodel’ geeft de mate van verinnerlijking aan. Bij een som als 700 x 80 rekenen ze naar analogie. De verhoudingsdeling en de verdelingsdeling komen in diverse contexten terug. Ze delen met nullen en ontdekken de invloed op de uitkomst wanneer ze respectievelijk de deler dan wel het deeltal met tien of honderd vermenigvuldigen. Ook delen ze met en zonder rest met getallen tm 100.
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    Hoofdrekenen is bedoeld als rekenen met het hoofd. Leerlingen noteren tussenantwoorden. Het gaat hierbij om alle bewerkingen. Het gebruik van kladpapier is in groep 7 standaard.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau rekenen ze handig met eenvoudige gehele- en kommagetallen. Ze schatten in geld- en meetcontexten. Ze onderzoeken de eigenschappen van bewerkingen met de rekenmachine, voeren twee deelhandelingen uit en voegen deze samen.
    Op streefniveau rekenen ze met grotere getallen en lastiger kommagetallen. Ze kiezen zelf een oplossing. Bij schattend rekenen gaat het om samengestelde bewerkingen. Ze rekenen met de rekenmachine met deelberekeningen verder om het eindantwoord te vinden.
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    Hoofdrekenen is rekenen met het hoofd. Tussenantwoorden worden genoteerd. Op streefniveau zijn getallen, bewerkingen en contexten lastiger. De hoofdrekenlijnen zijn geïntegreerd: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen.

    Lees meer Sluiten
    Ze schatten op beide niveaus met hele- en kommagetallen met alle bewerkingen. Op streefniveau gaat het ook om samengestelde bewerkingen. De rekenmachine wordt gebruikt bij het schatten.
    Op fundamenteel niveau rekenen ze handig met eenvoudige hele- en kommagetallen. Op streefniveau ook met grotere getallen en lastiger kommagetallen. Ze kiezen vaker zelf een manier om sommen uit te rekenen.
    Eind groep 8 maken ze kennis met de bewerkingsvolgorde en haakjes.
    04.Bewerkingen: Cijferen l Basiskennis cijferen

    Basiskennis cijferen

    Kolomsgewijs optellen en aftrekken in een H.T.E-schema. Dit rekenen is een hoofdrekenvorm die voorbereidt op het cijferen. De getallen staan onder elkaar, maar er wordt splitsend gerekend met getallen.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen werken van groot naar klein, dus van links naar rechts. Dit sluit aan bij wat ze gewend zijn bij het hoofdrekenen: eerst verder tellen met sprongen van 100, dan van 10 enzovoorts. De notatiewijzen ‘rekenen tussen streepjes’ en ‘ rekenen onder elkaar’ worden een korte periode naast elkaar gebuikt. Dit gebeurt om een verband tussen beide methoden aan te geven. In groep 5 wordt nog niet echt cijferend opgeteld en afgetrokken.
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    In de eerste helft van groep 6 wordt het H.T.E.-schema verinnerlijkt. Tot en met blok 7 wordt kolomsgewijs gerekend. Vanaf blok 8 wordt cijferend opgeteld en vanaf blok 11 cijferend afgetrokken.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen rekenen met getallen van groot naar klein (links naar rechts). Bij het aftrekken wordt het rekenen met tekorten stapsgewijs opgebouwd. Vanaf blok 8 wordt volgens een vaste procedure cijferend opgeteld, dus van klein naar groot (rechts naar links). En vanaf blok 11 ook cijferend afgetrokken. Ze rekenen met cijfers. In de beginfases wordt kort een tussenvorm aangeboden met een kolomsgewijze denkhandeling. Er wordt bij het leren inwisselen gerefereerd aan waardes van cijfers.
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Bij cijferen wordt er met en zonder contexten gerekend. Handelingen worden steeds verder verkort en verinnerlijkt. Bewerkingen worden gecombineerd toegepast in contexten waar samengestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau gaan leerlingen verder met cijferend optellen en aftrekken met gehele getallen tm ongeveer 10 000. Daarnaast worden optellen, aftrekken en vermenigvuldigen toegepast in contexten waar ook samengestelde bewerkingen moeten worden uitgerekend. Op streefniveau cijferen ze daarnaast ook met kommagetallen en worden alle gecombineerd bewerkingen toegepast (ook delen).
    Optellen en aftrekken

    Optellen en aftrekken

    Er wordt kaal en in context gecijferd. Handelingen worden verkort en verinnerlijkt. Op streefniveau zijn getallen lastiger en situaties complexer.De cijferlijnen zijn geïntegreerd: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen.

    Lees meer Sluiten
    Op beide niveaus rekenen leerlingen met hele- en kommagetallen. Naast werken met ‘kale’ getallen passen ze alle bewerkingen toe in toepassingssituaties waar samengestelde bewerkingen moeten worden uitgevoerd (generaliseren). Ze bepalen welke bewerkingen ze gebruiken, voeren de berekeningen uit en beoordelen of het antwoord klopt bij de situatie. Eind groep 8 maken ze kennis met negatieve getallen.
    05. Bewerkingen-Cijferen ll Basiskennis cijferend vermenigvuldigen en delen

    Basiskennis cijferend vermenigvuldigen en delen

    Opgaven worden onder elkaar genoteerd, maar er wordt nog met eenheden, tientallen en honderdtallen gerekend.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen rekenen in de tweede helft van groep 6 vermenigvuldigingen als 4 x 345 en 23 x 73 onder elkaar uit. Ze rekenen nog met getallen en noteren de tussenuitkomsten.
    Het delen (met en zonder rest) tussen schuine strepen komt ook in de tweede helft aan de orde zoals 4 /644\. Hierbij wordt gewerkt met het nemen van zo groot mogelijke happen (verkorten).
    Ze rekenen nog met getallen (en niet met cijfers).
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    Bij cijferen wordt er met en zonder contexten gerekend. Handelingen worden steeds verder verkort en verinnerlijkt. Bewerkingen worden gecombineerd toegepast in contexten waar samengestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau gaan leerlingen cijferend vermenigvuldigen en delen (zonder rest). Bij het delen wordt gestreefd naar het nemen van zo groot mogelijke happen. Daarnaast worden bewerkingen (optellen, aftrekken en vermenigvuldigen) toegepast in contexten waar ook samengestelde bewerkingen worden uitgerekend.
    Op streefniveau maken ze ook delingen waarbij resten ontstaan en worden alle bewerkingen gecombineerd toegepast (ook delen).
    Vermenigvuldigen en delen

    Vermenigvuldigen en delen

    Er wordt kaal en in context gecijferd. Handelingen worden verkort en verinnerlijkt. Op streefniveau zijn getallen lastiger en situaties complexer.De cijferlijnen zijn geïntegreerd: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau cijferen ze met hele getallen. Op streefniveau cijferen ze ook met kommagetallen en ontstaat er bij delen een rest. Er wordt toegewerkt naar de staartdeling. Naast werken met ‘kale’ getallen passen ze alle bewerkingen toe in toepassingssituaties waar samengestelde bewerkingen worden uitgevoerd (generaliseren). Ze bepalen welke bewerkingen ze gebruiken, voeren dit uit en beoordelen of het antwoord klopt bij de situatie.
    Eind groep 8 maken ze kennis met kwadraten en wortels.
    06. Meten Meten

    Meten

    Gewichten worden met elkaar vergeleken. Ze lezen temperatuur af op een thermometer. Na het meten met eigen lichaamsmaat hanteren leerlingen de meter als standaardmaat. Oppervlakte en inhoud worden met een eigen maat bepaald.

    Lees meer Sluiten
    Ze ervaren dat elke grootheid zijn eigen maateenheid heeft zoals het meten van afstand, gewicht en tijd. Ze werken met natuurlijke maateenheden en maken afspraken over afpassen. Ze ontwikkelen aan de hand van lichaamsmaten eigen referentiematen.
    Ze vergelijken maateenheden en zien dat het bij meten gaat om verhoudingen. Ze leren met natuurlijke maten grootheden als oppervlakte en inhoud te meten. Ze maken tot slot de overstap naar een standaardmaat voor lengte: de meter (verinnerlijken).
    Meten

    Meten

    Leerlingen leren referentiematen voor kilogram en gram, meter en centimeter , inhoud (liter), en temperatuur in graden Celsius. Ze oefenen in het aflezen van maatbekers, weegschalen en thermometers.

    Lees meer Sluiten
    Ze ervaren de lengte van alledaagse voorwerpen en breiden hun repertoire op het gebied van referentiematen uit, ook met inhoud, temperatuur en gewicht. Ze oefenen het gebruik van diverse meetinstrumenten en kennen bijbehorende maateenheden.
    Ze passen een liniaal toe in eenvoudige toepassingssituaties en maken kennis met het begrip ‘schaal’ op een kaart. Ze leren dat afstanden op een kaart rechtstreeks te koppelen zijn aan een grotere afstand in het echt. Ze vergelijken platte oppervlakten.
    Meten

    Meten

    Het repertoire van maten bij grootheden als lengte, gewicht, temperatuur en inhoud wordt uitgebreid met verfijningen als millimeter, decimeter , milliliter en ook gram. Schaal wordt weergegeven met een schaallijn.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen ontwikkelen hun maatgevoel. Ze gaan hierbij uit van hun eigen lichaamslengte om andere maten te schatten. Ze meten oppervlaktes en omtrekken. Oppervlaktes worden op grootte vergeleken met en zonder vierkante ruitjes. Ze gebruiken het schaalstreepje op een kaart om maten om te zetten van een lengte op de kaart naar een lengte in werkelijkheid. Ze maken kennis met de analoge en digitale weegschaal. Ze ontdekken dat nieuwe standaardmaten nodig zijn om precies te meten.
    Meten

    Meten

    Het aantal maateenheden wordt uitgebreid. Leerlingen herleiden standaardmaten en rekenen ermee. Ze berekenen afstanden met een kaart en een schaallijn.

    Lees meer Sluiten
    Door problemen op te lossen met het meten van oppervlakten om hun heen, krijgen ze een beter beeld van het begrip oppervlakte. Ze oriënteren zich op het begrip vierkante cm en meter en cm2 en m2 en oefenen hiermee.
    Ze zetten standaardmaten om naar een andere maat, De maten worden gesplitst in m, dm en cm. Hierbij wordt een relatie gelegd met kolomsgewijs rekenen. Het decimale stelsel van het metriek stelsel wordt zo benadrukt.
    Meten

    Meten

    Een deel van de lesstof komt in les 11 aan de orde. Er is dan geen verschil tussen fundamenteel- en streefniveau. Het aantal maateenheden wordt uitgebreid. Leerlingen breiden het aantal maateenheden uit.

    Lees meer Sluiten
    Ze ontwikkelen referentiematen bij grote lengtes en oppervlakte en bij heel grote of kleine gewichten en inhouden en rekenen hier mee. Ze berekenen reistijden. Ze berekenen omtrek en oppervlakte (l x b) aan de hand van een plattegrond.
    Op fundamenteel niveau maken ze eenvoudige berekeningen met het metriek stelsel, ook kubieke maten en relaties daartussen (dm3 en liter). Ze rekenen met schaal met schaal als 1:1000.
    Op streefniveau rekenen ze ook met complexere figuren. Ze berekenen bij een gegeven lengte de maat op schaal.
    Meten

    Meten

    Een deel van de lesstof komt in de lessen 11 aan de orde. Er is dan geen verschil tussen fundamenteel- en streefniveau. Het aantal maateenheden wordt uitgebreid. Leerlingen ontwikkelen referentiematen bij inhoudsmaten, gewichtsmaten en oppervlaktematen.

    Lees meer Sluiten
    Ze berekenen omtrek en oppervlakte (l x b) aan de hand van een tekening op schaal.
    Op fundamenteel niveau maken ze eenvoudig berekeningen met het metriek stelsel. Ze passen hierbij referentiematen toe en gebruiken de systematiek van het metriek stelsel. Op streefniveau rekenen ze ook litermaten om naar kubieke maten.
    Op streefniveau berekenen ze ook oppervlaktes van driehoeken, complexere figuren en de cirkel.
    Eind groep 8 maken ze kennis met verschillende soorten driehoeken en het getal pi.
    07. Tijd Tijd

    Tijd

    Toewerken naar het paraat hebben van de dagen van de week. Leren aflezen en zetten van de hele uren op de analoge klok en het bepalen van tijdsduur.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen werken met ordeningen van tijd. Het gaat om het aflezen en zetten van hele uren en ook over de dagen van de week in de goede volgorde. Momenten van de dag worden gerelateerd aan kenmerkende activiteiten van kinderen. Ze oefenen met het verstrijken van tijd. De activiteiten en de benodigde tijd hiervoor worden gekoppeld aan gemeten tijdsduur.
    Tijd

    Tijd

    Leerlingen leren hele en halve uren, het kwartier en tijden als vijf of tien voor/over het heel of half uur. Ze oefenen tijdsduur. Digitale tijden worden geïntroduceerd. Ze bepalen op een kalender een datum (eerder/later).

    Lees meer Sluiten
    Ze bepalen tijdsduur die verstreken is tussen twee gegeven kloktijden door te bepalen hoeveel keer de grote wijzer dan helemaal rond moet zijn geweest (eventueel nog een halve klok).
    In het dagelijks leven krijgen ze ook te maken met digitale klokken. Ze gebruiken nu het 12-uurssysteem en vier uur wordt genoteerd als 4:00 uur en nog niet als 04:00 uur.
    Ze oefenen met aanduidingen als dag, week en maand. Ze lezen een datum af op een kalender bepalen welke datum hoort bij eergisteren of overmorgen.
    Tijd

    Tijd

    Bij het klokkijken komt nu ook de digitale klok met het 24-uurssyteem aan de orde. Leerlingen oefenen met de uitspraak van tijden. Ze werken met de kalender als een vorm van ordening van tijd.

    Lees meer Sluiten
    Ze werken met analoge kloktijden tot op de minuut nauwkeurig. Ze zetten analoge kloktijden om in digitale kloktijden en andersom. In contextsituaties maken ze daarbij een keuze voor één van de twee mogelijkheden. Ze bepalen bij twee gegeven (analoge) kloktijden hoeveel tijd er verstreken is (tijdsduur). Het tijdsverschil is daarbij altijd minder dan 12 uur. De jaarkalender wordt herhaald. De nadruk ligt om het gebruikmaken van en rekenen op de kalender.
    Tijd

    Tijd

    Bij digitale kloktijden voor 12:00 uur (08:30) wordt de 0 geïntroduceerd. Ook wordt de secondewijzer geïntroduceerd.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen bepalen tijdsduur tussen twee analoge of digitale tijdstippen en rekenen hiermee. Leerlingen maken berekeningen met datumnotaties en weeknummers. Ze noteren een datum als 09-06-2012. Kwartalen, maand- en weeknummers, aantal dagen per jaar (schrikkeljaar) en het aantal dagen per maand komen aan de orde. Het gebruik om het jaartal aan te duiden met Romeinse cijfers wordt besproken en geeft aanleiding tot het bespreken van de Romeinse cijfers.
    Tijd

    Tijd

    Analoge en digitale kloktijden en het bepalen van tijdsduur wordt herhaald.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau maken ze eenvoudige berekeningen met veelvoorkomende tijdmaten en snelheden. Ze ontwikkelen eigen referenties rond kloktijdmaten (tijdsduur) en afstanden/snelheden. Er is aandacht voor samengestelde grootheden (snelheid) en het gebruik van de verhoudingstabel hierbij.
    Op streefniveau gaat het daarnaast ook om meer formele tijdsopgaven. Ook komen andere samengestelde grootheden aan de orde.
    Tijd

    Tijd

    Berekeningen maken met veelvoorkomende tijdmaten.

    Lees meer Sluiten
    Daarnaast worden aspecten van tijd als feiten geoefend binnen automatiseren / flexibiliseren.
    08. Geld Basiskennis van geld

    Basiskennis van geld

    Inzicht krijgen in het systeem van munten en biljetten. Leerlingen leren de waarde en ermee rekenen. De kennis wordt in contextsituaties (winkeltje spelen) toegepast, eerst handelend daarna mentaal.

    Lees meer Sluiten
    Ze stellen bedragen tm 20 euro samen met munten (1 en 2 euro) en biljetten (5 en 10 euro). Ze stellen bedragen tot 50 cent met munten samen en ontdekken relaties tussen getallen en de vele splitsingen (inwisselbaarheid). Er wordt gestimuleerd om met zo min mogelijk munten te betalen (verkort tellen). Bij het optellen van geld starten ze met het een zo groot mogelijk bedrag.
    Hoewel munten van 1 en 2 cent in een winkel.
    Geld

    Geld

    Leerlingen stellen geldbedragen vast tm € 100,00

    Lees meer Sluiten
    Ze oefenen het gebruik van verschillende munten en biljetten door bedragen samen te stellen. Ze kennen het springen naar 90 door naar 100 te springen en dan 10 terug en passen dit hier toe met geld in de vorm van iets meer geven dan moet en dan terugkrijgen. Biljetten van 100 euro en munten van 1 en 2 cent worden nu niet gebruikt omdat ze die in het dagelijks gebruik niet of nauwelijks tegenkomen.
    Geld

    Geld

    Het euroteken wordt geïntroduceerd, aanvankelijk in de vorm van de notatie € 65. Later wordt ook de kommanotatie € 23,15 geïntroduceerd.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen stellen bedragen samen met combinaties van biljetten en munten. Ze gebruiken de notatie met het euroteken en de komma.
    Geld

    Geld

    Bij geldrekenen worden meer dan twee geldbedragen cijferend bij elkaar opgeteld. Handig rekenen door zo min mogelijk munten en biljetten te gebruiken staat centraal.

    Lees meer Sluiten
    Ze oefenen het doortellen met bedragen als € 12,60 , 13,60 enzovoorts. Door rekenzwakke leerlingen te laten werken met speelgeld wordt gedifferentieerd in de mate van verinnerlijking.
    De waarde van de cijfers in 1,625 kg wordt besproken en vergeleken met de geldnotatie. Met een verhoudingstabel bepalen ze van verschillende hoeveelheden (in gewicht) de prijs. Ze leren dat 0,5 kg hetzelfde is als 500 gram.
    Geld

    Geld

    Het rekenen met samengestelde grootheden wordt nu ook toegepast op bijvoorbeeld prijs per gewicht. Leerlingen oefenen met complexere toepassingen.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel- en streefniveau wordt bij het geldrekenen vanuit de geldcontext cijferend gerekend met geldbedragen met komma’s. Op streefniveau zijn de bewerkingen complexer.
    Geld

    Geld

    Op zowel fundamenteel- als streefniveau wordt vanuit de geldcontext cijferend gerekend met geldbedragen met komma’s. Op streefniveau zijn de berekeningen hierbij complexer.

    Lees meer Sluiten
    Bij het onderdeel ‘Procenten’ wordt de geldcontext regelmatig gebruikt om met korting te rekenen.
    Ze berekenen de nieuwe prijs als de oude prijs en het kortingspercentage bekend is.
    Ze berekenen het kortingspercentage als de oude prijs en de nieuwe prijs bekend is.
    Ze berekenen de oude prijs als de nieuwe prijs en het kortingspercentage is gegeven.
    Ook rekenen ze een totaalprijs uit bij het tweede artikel voor de helft van de prijs.
    09. Meetkunde Basiskennis van meetkunde

    Basiskennis van meetkunde

    Herkennen van ruimtelijke figuren in afbeeldingen met boven- en zijaanzichten (oriëntatie in de ruimte). Hardop logisch redeneren en verklaren is van belang. Het bepalen van een standpunt (visualiseren en representeren).

    Lees meer Sluiten
    Ze construeren en oriënteren en ervaren dat een plattegrond een representatie is van een driedimensionale figuur. Ze ‘lezen’ representaties door ruimtelijke voorstellingen te maken. Vanuit echt bouwen wordt toegewerkt naar een weergave op papier (verinnerlijken).
    Ze oriënteren zich in de ruimte, nemen een mentaal standpunt in en ervaren dat dit bepalend is voor hetgeen ze zien: mentaal manipuleren.
    Ze opereren met figuren zoals spiegelen en vervormen en voorspellen en beredeneren de gevolgen.
    Meetkunde

    Meetkunde

    Leerlingen oriënteren zich in de ruimte met plattegronden als representaties van de ruimte. Ze verklaren aanzichten uit standpunten. Ze construeren ruimtelijke figuren met bouwplaten. Hierbij speelt logisch redeneren een rol.

    Lees meer Sluiten
    Ze ‘lezen’ plattegronden en beschrijven routes (verinnerlijken). Ze verklaren op basis van de vorm van bouwplaten waarom een ruimtelijk figuur er op een bepaalde manier uit moet zien.
    Opereren met figuren komt tijdens lessen aan de orde. Lijnsymmetrie en draaisymmetrie worden onderzocht met spiegels.
    Ze verklaren waarom de (gedraaide) plattegrond hoort bij een bouwsel met hoogtegetallen. Vanuit het bouwen van echte blokkenbouwsels wordt gewerkt naar een weergaven op papier (verinnerlijken).
    Meetkunde

    Meetkunde

    Vormen van symmetrie worden verder verkend. Leerlingen beoordelen of figuren lijn- of draai symmetrisch zijn en maken knipfiguren (af) of randen met een bepaald patroon. Verder oefenen met het oriënteren in de ruimte.

    Lees meer Sluiten
    Ze onderzoeken schaduwen en gebruiken kijklijnen om te verklaren of iets wel of niet zichtbaar kan zijn. Ze worden zich bewust van projecties van ruimtelijke figuren en kunnen eigenschappen van ruimtelijke figuren gebruiken om te voorspellen hoe de schaduw eruit zal zien.
    Ze construeren ruimtelijke figuren uit bouwplaten en verklaren aan de hand van de vorm van de bouwplaat hoe de ruimtelijke figuur eruit moet zien.
    Meetkunde

    Meetkunde

    Bepalen van een standpunt bij een bepaalde afbeelding en het gebruiken van kijklijnen.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen herkennen plattegronden en aanzichten vanuit een tekening. Ze verkennen verhoudingen tussen voorwerplengte en schaduwlengte en verkennen hoe de stand van de zon verandert gedurende de dag en wat het effect daarvan is op schaduw. Op de kaart zoeken ze locaties die zijn aangegeven met coördinaten en omgekeerd. Ze lezen routes af op een kaart.
    Meetkunde

    Meetkunde

    Deze lesstof komt in les 11 aan de orde. Er is dan geen verschil tussen fundamenteel- en streefniveau.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen oefenen verder met spiegel- en draaisymmetrie. Ze bepalen of tekeningen symmetrisch zijn en maken tekeningen af zodat symmetrie ontstaat. Ze bepalen een standpunt en plaatsen dit standpunt op een plattegrond. Ze oriënteren zich op de relatie tussen afstand en grootte. Ook redeneren ze ruimtelijk met begrippen als noord, oost, zuid en west. Ze kennen een aantal vlakke en ruimtelijke figuren en kunnen hierbij het voor-, zij- en bovenaanzicht herkennen.
    Meetkunde

    Meetkunde

    Er is geen niveauverschil. Relaties tussen ruimtelijke en vlakke figuren wordt geoefend. Leerlingen maken kaartprojecties en onderzoeken wat de kortste weg op een bol. Ze ontwerpen vervormde spiegelingen en verkennen bijzondere driehoeken.

    Lees meer Sluiten
    Ze hebben vaker bouwplaten van figuren in elkaar gezet. Het gaat nu om het ruimtelijk redeneren.
    Ze ervaren dat er verschillende methoden zijn om de driedimensionale aardbol weer te geven op het platte vlak. Ze ontdekken dat er dan vervormingen optreden waardoor bijvoorbeeld ‘rechtdoor’ er niet meer uitziet als een rechte lijn op de kaart.
    Ze oefenen verder met het vervormen van vlakke figuren. Ze beredeneren wat er gebeurt met de afbeelding als ze manipuleren met verkleiningen of vergrotingen.
    10. Breuken Basiskennis breuken

    Basiskennis breuken

    Begripsvorming bij breuken staat centraal. Het rekenen ontwikkelt zich van contextgebonden naar modelondersteunend handelen (verinnerljken) met stroken, cirkels e.d.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen oefenen met de breuk als meetgetal en de breuk als resultaat van een verdeling. Ze oefenen de begrippen: helft, derde, kwart en vijfde. Ze bepalen uit hoeveel objecten een deel bestaat. Ze geven bij een gegeven deel van een figuur met een breuk aan welk deel het is en vullen de breuk aan tot 1. Ze gebruiken dan modellen van een cirkeldiagram en een rechthoek. De breuk als getal op de getallenlijn wordt geïntroduceerd.
    Basiskennis breuken

    Basiskennis breuken

    In groep 7 wordt rekenen met de aspecten breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen steeds meer onderling verweven. Hierbij bieden diverse contexten en modellen ondersteuning.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau vergelijken leerlingen eenvoudige breuken en maken deze gelijknamig. Op concreet niveau voeren ze eenvoudige bewerkingen uit. Er wordt gebruik gemaakt van contexten die het begrip ondersteunen.
    Op streefniveau rekenen leerlingen ook formelere sommen met breuken uit.
    Basiskennis breuken

    Basiskennis breuken

    Het rekenen met breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen wordt steeds meer onderling verweven. Hierbij bieden diverse contexten en modellen ondersteuning.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau vergelijken leerlingen eenvoudige breuken. Hierbij werken ze op een concreet niveau en wordt gebruik gemaakt van contexten die het begrip ondersteunen. Binnen deze contexten tellen ze op, trekken ze af en vermenigvuldigen ze met breuken. Ze halen eventueel helen uit een antwoord.
    Op streefniveau rekenen ze ook formelere sommen met breuken uit. Op dit niveau moeten breuken ook vereenvoudigd worden.
    11. Procenten Procenten

    Procenten

    In groep 7 wordt rekenen met de aspecten breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen steeds meer onderling verweven.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau gaan leerlingen percentages aflezen en inkleuren. Ze maken eenvoudige berekeningen o.a. binnen een kortingscontext, bijvoorbeeld met een model als cirkeldiagram of strook. Ze werken met percentages als 10%, 25% en 50% die gemakkelijk te verbinden zijn aan het begrip ‘ deel van het geheel’.
    Op streefniveau maken ze ook berekeningen met percentages en mooie getallen via het rekenen met breuken. Daarnaast wordt ook de formele rekenmethode via de 1%-regel aangeboden.
    Procenten

    Procenten

    Het rekenen met breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen wordt steeds meer onderling verweven. Hierbij bieden diverse contexten en modellen ondersteuning.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau maken leerlingen eenvoudige berekeningen net percentages zoals binnen een kortingscontext. Ze maken daarbij gebruik van de procentstrook of een cirkeldiagram als model. Ze werken met percentages die gemakkelijk te verbinden zijn aan het begrip ‘deel van het geheel’.
    Op streefniveau maken ze berekeningen met percentages en mooie getallen via het rekenen met breuken. Daarnaast wordt ook de formele rekenmethode via de 1%-regel aangeboden, met name in contextsituaties.
    12. Verhoudingen Basiskennis van verhoudingen

    Basiskennis van verhoudingen

    In eenvoudige verhoudingsopgaven prijzen bepalen en tellen met sprongen tot 20 toepassen in verhoudingsopgaven.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen werken met geld in relatie tot verschillende aantallen. Ze rekenen met centen en leggen een verband tussen aantal en prijs.
    Ze worden zich bewust van eenvoudige lineaire verbanden. Wanneer ze bijvoorbeeld het ene aantal verdubbelen, dan geldt dat ook voor het andere.
    Verhoudingen

    Verhoudingen

    Leerlingen vullen een verhoudingstabel in en kunnen het tellen in sprongen met 2,5 en 10 toepassen.

    Lees meer Sluiten
    Ze rekenen in een verhoudingstabel met eenvoudige lineaire verbanden. Er is dus een verband tussen twee aantallen waarvoor geldt dat wanneer op het ene aantal een bewerking wordt uitgevoerd, diezelfde bewerking ook op het andere aantal kan worden uitgevoerd. Dit wordt ook in andere lessen toegepast, bijvoorbeeld als ze rekenen met afstanden op schaal (generaliseren).
    Verhoudingen

    Verhoudingen

    Verder oefenen met het gebruik van de verhoudingstabel. Ze ervaren dat veel sommen op een overzichtelijke manier kunnen worden uitgerekend met een tabel. Leerlingen rekenen terug naar 1 en dan verder vermenigvuldigen.

    Lees meer Sluiten
    Er zijn verschillende berekeningen mogelijk zoals vermenigvuldigen en delen met eenzelfde getal boven en onder de streep. Aan het eind van groep 5 maken ze binnen een concrete situatie kennis met begrippen als de helft, een kwart, een vijfde als eerste informele kennismaking met breuken. Ze ontdekken dat als iets verdeeld wordt in vier gelijke stukken, één stuk ‘een vierde deel’ of ‘een kwart’ heet. Hierdoor kunnen ze er betekenis aan geven.
    Verhoudingen

    Verhoudingen

    Verder oefenen met het gebruik van de verhoudingstabel als hulpmiddel bij het uitrekenen van verhoudingsopgaven. Hierin wordt handig gerekend.

    Lees meer Sluiten
    Ze ontwikkelen gevoeligheid voor het herkennen van situaties waarin de verhoudingstabel gebruikt kan worden bij het rekenen door relaties te leggen tussen het contextverhaal en de notatie in de tabel. Ze onderzoeken hierbij welke andere contextgebonden vragen ze met een verhoudingstabel kunnen oplossen.
    Verhoudingen

    Verhoudingen

    In groep 7 wordt rekenen met de aspecten breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen steeds meer onderling verweven.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau oefenen leerlingen verder met de verhoudingstabel als hulpmiddel om verhoudingsproblemen op te lossen.
    Op streefniveau lossen ze verhoudingsproblemen op waarbij een deel moet worden berekend. Hierbij wordt ook een verband gelegd tussen rekenen met de verhoudingstabel en het rekenen met procenten.
    Verhoudingen

    Verhoudingen

    Het rekenen met breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen wordt steeds meer onderling verweven. Hierbij bieden diverse contexten en modellen ondersteuning.

    Lees meer Sluiten
    Bij het onderdeel verhoudingen gaat het onder andere om het paraat hebben van de taal van verhoudingen zoals en kwart is 25%,’per’, ‘op’, ’van de’, het functioneel kunnen gebruiken en verhoudingen kunnen herkennen in dagelijkse situaties.
    Op functioneel niveau gebruiken ze de samenhang tussen ‘50% van’ en ‘de helft van’. Op streefniveau zetten ze ook breuken om in procenten en omgekeerd. Eind groep 8 maken ze kennis met woordformules. Ze maken eenvoudige berekeningen en stellen zelf formules op.
    13. Kommagetallen Basiskennis kommagetallen

    Basiskennis kommagetallen

    Kennismaken met een toepassing van kommagetallen. Dit is ondergebracht bij het domein Geld.

    Lees meer Sluiten
    De geldnotatie € 23,15. Daarom is dit ondergebracht bij het domein geld.
    Kommagetallen

    Kommagetallen

    Werken met kommagetallen in toepassingssituaties.

    Lees meer Sluiten
    Deze doelen worden aangeboden als geldnotatie (€ 123,15) of binnen een meetcontext (0,5 kg). De doelen zijn daarom ondergebracht bij de domeinen meten en geld.
    Kommagetallen

    Kommagetallen

    In groep 7 wordt rekenen met de aspecten breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen steeds meer onderling verweven.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau zetten leerlingen tientallige breuken om in kommagetallen en omgekeerd. Ze vermenigvuldigen kommagetallen met 10, 100 en 1000 en maken vanuit een context ook sommen als 4 x 0,5.
    Op streefniveau ontdekken ze ook dat er breuken zijn waarbij omzetten naar kommagetallen een oneindig aantal cijfers achter de komma oplevert, al dan niet repeterend. Ze delen getallen door 10, 100 en 1000 waarbij het antwoord een kommagetal is en maken vanuit een context sommen als 4,50 : 0,15.
    Kommagetallen

    Kommagetallen

    Het rekenen met breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen wordt steeds meer onderling verweven. Hierbij bieden diverse contexten en modellen ondersteuning.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau vermenigvuldigen en delen leerlingen met breuken en kommagetallen vanuit een context. Ze gebruiken een verhoudingstabel bij het uitrekenen van sommen.
    Op streefniveau wordt het vermenigvuldigen en delen ook zonder steun van de context aangeboden. Er is aandacht voor overeenkomst en verschil tussen de som en dezelfde som ‘zonder komma’. Bij het delen door een kommagetal worden beide getallen eerst vermenigvuldigd zodat er een som met gehele getallen ontstaat.
    14. Tabellen en grafieken Basiskennis van grafieken

    Basiskennis van grafieken

    Inkleuren van hoeveelheden in eenvoudige staafgrafieken.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen gebruiken een grafische weergave van informatie.
    Tabellen en grafieken

    Tabellen en grafieken

    Het onderwerp komt aan de orde in een toepassingsvorm.

    Lees meer Sluiten
    Leerlingen oefenen verder met het aflezen van eenvoudige staafgrafieken en passen vervolgens bewerkingen toe op de getallen die ze hebben afgelezen.
    Tabellen en grafieken

    Tabellen en grafieken

    Verder oefenen met het aflezen interpreteren en tekenen van eenvoudige staafgrafieken. Leerlingen passen vervolgens bewerkingen toe op de getallen die ze hebben afgelezen.

    Lees meer Sluiten
    De getallen worden groter met als gevolg dat één vakje niet altijd 1 voorstelt, maar een groter aantal kan weergeven (10). Ze tekenen zelf een staafgrafiek aan de hand van gegevens die ze uit een tabel halen. De staafgrafiek wordt gebruikt als middel om gegevens te ordenen, handig te tellen en aantallen te vergelijken.
    Tabellen en grafieken

    Tabellen en grafieken

    Leerlingen oefenen verder met het aflezen van staafgrafieken in combinatie met een tabel. De lijngrafiek wordt geïntroduceerd.

    Lees meer Sluiten
    Numerieke gegevens worden verwerkt in tabellen en grafieken zoals staaf-, lijn-, en cirkeldiagram. Omgekeerd worden deze weer afgelezen en geïnterpreteerd. Ze passen vervolgens bewerkingen toe op de getallen die ze hebben afgelezen. De beeldgrafiek wordt geïntroduceerd. Centraal staat de vraag waarom deze grafische illustraties worden gebruikt. De leesbaarheid wordt vergeleken met die van de staafgrafiek.
    Tabellen en grafieken

    Tabellen en grafieken

    Verder oefenen met tabellen en grafieken. Grafieken worden ook toegepast binnen het domein Breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau lezen leerlingen uit allerlei typen grafische weergaven gegevens af. Ze interpreteren en vergelijken deze en maken daar eenvoudige berekeningen mee.
    Op streefniveau voeren ze complexere berekeningen uit waarbij ze gegevens die ze aflezen uit grafische weergaven met elkaar combineren en interpreteren.
    Tabellen en grafieken

    Tabellen en grafieken

    Leerlingen oefenen verder met tabellen en allerlei grafieken. Ze maken berekeningen waarbij gegevens uit grafieken worden gebruikt. Ze oefenen vooral het rekenen met percentages waarbij ze gegevens uit grafieken gebruiken.

    Lees meer Sluiten
    Op fundamenteel niveau lezen ze uit allerlei typen grafische weergaven gegevens af. Ze interpreteren en vergelijken deze en maken daar eenvoudige berekeningen mee.
    Op streefniveau voeren ze complexere berekeningen uit waarbij ze gegevens die ze aflezen uit grafische weergaven met elkaar combineren en interpreteren. Ze rekenen ook een gemiddelde uit. Om de overstap naar het voortgezet onderwijs te vergemakkelijken maken ze in de tweede helft van groep 8 kennis met eenvoudige verbanden.
    15. Automatiseren en flexibiliseren Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren. Met automatiseren leren leerlingen de rekenhandeling snel uitvoeren, terwijl het bij het flexibiliseren gaat om het gebruik van handige rekenstrategieën. Memoriseren is het uit het hoofd weten van rekenfeiten.

    Lees meer Sluiten
    Bij Samen oefenen wordt er klassikaal interactief geoefend. Activiteiten die daarbij aan de orde komen: leren tellen, ordenen en lokaliseren, springen naar getallen, aanvullen tot 10, splitsingen en eigen producties. Deze vorm leent zich prima voor het flexibiliseren.
    Tijdens Zelf oefenen gaat leerlingen individueel schriftelijk aan de slag. Ze worden regelmatig naast het op snelheid oefenen, uitgedaagd om de geleerde rekenhandelingen van het domein Bewerkingen zo snel mogelijk uit te voeren.
    Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Leerlingen oefenen dezelfde leerinhouden als in groep 3, echter het getallengebied is nu groter. Ook komt er een aantal nieuwe onderdelen bij.

    Lees meer Sluiten
    Bij Samen oefenen klassikaal interactief oefenen met: tellen, ordenen en lokaliseren, springen naar getallen tm 100, aanvullen tot 10 of 20, splitsingen, sprongen van 10 (basale vaardigheden) en eigen producties maken. Ze opereren op de lege getallenlijn, maken bijna-verdwijnsommen (79-77) en rekenen op formeel niveau.
    Bij Zelf oefenen werken ze individueel schriftelijk. Na verinnerlijken en verkorten van leerinhouden wordt veel aandacht besteed aan het automatiseren en memoriseren.
    Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Leerlingen oefenen dezelfde leerinhouden als in groep 4. Bij tellen, ordenen, lokaliseren gaat het om getallen tm 14 000.

    Lees meer Sluiten
    Bij klassikaal interactief Samen oefenen oefenen ze (deel)tafels op formeel niveau. Ze bedenken sommen met een bepaald antwoord of zetten rijtjes voort volgens een bepaalde systematiek. Ze oefenen variastrategieën en expliciteren relaties tussen vermenigvuldigen en delen. Ze passen kennis van kalenders toe bij het redeneren erover.
    Bij Zelf oefenen werken ze individueel schriftelijk. Na verinnerlijken en verkorten van leerinhouden wordt veel aandacht besteed aan het automatiseren en memoriseren.
    Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Vanaf groep 6 starten de lessen met individueel oefenen. Interactief oefenen vindt plaats tijdens leerkrachtgebonden lessen.

    Lees meer Sluiten
    Na verinnerlijken en verkorten van inhouden wordt op eigen niveau verder geoefend met o.a.:
  • Door- en terugtellen, lokaliseren en ordenen;
  • Optellen en aftrekken tm 100 en vermenigvuldigen en delen tm 10 en met tien- en honderdtallen;
  • Kolomsgewijs rekenen tm 1000, cijferend optellen en rekenen met de rekenmachine;
  • Rekenen met analoge en digitale kloktijden, referentiematen (gewicht en inhoud), geldbedragen vermenigvuldigen en samenstellen;
  • Rekenen met de helft, een derde, kwart en met een deel van een geheel.
  • Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Naast flexibiliseren wordt er ook geautomatiseerd en gememoriseerd. Leerlingen oefenen verder op eigen niveau met alle domeinen.

    Lees meer Sluiten
    Oefenen met o.a.:
  • Lokaliseren van breuk en (komma)getal op getallenlijn; omzetten van breuk naar kommagetal en omgekeerd;
  • hoofdrekenen tm 100, vermenigvuldigen en delen met tien-honderd- en duizendvouden;
  • vermenigvuldigen en delen met kommagetal;
  • cijferen tm 10000 ook met decimalen, vermenigvuldigen van meerdere cijfers;
  • vermenigvuldigen met een komma en delen met rest;
  • omrekenen van inhoudsmaat en gewichtsmaat; rekenen met een gegeven schaal;
  • rekenen met mooie percentages.
  • Automatiseren en flexibiliseren

    Automatiseren en flexibiliseren

    Naast flexibiliseren wordt geautomatiseerd en gememoriseerd. Ze oefenen op eigen niveau: getalbegrip; hoofdrekenen en cijferen; meten, tijd en geld; breuken, procenten, verhoudingen en kommagetallen.

    Lees meer Sluiten
  • Lokaliseren van kommagetal op getallenlijn;
  • omzetten van breuk naar kommagetal en omgekeerd; hoofdrekenen tm 100;
  • vermenigvuldigen en delen met tien-honderd- en duizendvouden; vermenigvuldigen en delen met kommagetal;
  • cijferen tm 10000 ook met decimalen;
  • vermenigvuldigen van meerdere cijfers;
  • vermenigvuldigen met een komma en delen met rest;
  • omrekenen van inhoudsmaat en gewichtsmaat;
  • hele getallen vermenigvuldigen met een breuk;
  • optellen en aftrekken met breuken; rekenen met percentages.